De eerste fabriek aan de Trekvaart (thans Zieke) vlakbij het huidige Rijswijkseplein,
werd geopend in 1823. De naam was toen nog E.B.L. Maritz en Comp. De familie Maritz kwam
uit Zwitserland en enkele van hen hadden in de 18e eeuw hoge functies bij de Kanongieterij op de Nieuwe Uitleg.
Edouard Bartholome Louis Maritz begon een Koperpletterij met Lion
Israel Enthoven, geboren te Den Haag in 1787.
Enthoven was concert meester van de Franse Opera (in Den
Haag) en tevens president-directeur van de Nederlandse Rijnspoorweg Maatschappij. Hij werd
daarnaast directeur van de Koperpletterij .
In 1848 werd de familie Maritz uitgekocht en ging de
fabriek verder als Metaalpletterij L.J. Enthoven (Leo John Enthoven). Eigenlijk
eerst nog als Metaalpletterij L.I. Enthoven (nog te zien op de draaibrug
over de Noord Westsingelsgracht). "L.I." stond voor
"Lion Israel" en daaruit bleek wel dat het een Joodse familie was en dat gaf
eind 19e eeuw blijkbaar toch problemen, vandaar de naamswijziging van de directeur en de
fabriek.
Deze fabriek was ook betrokken bij de aanleg van
Gasverlichting in Den Haag en bovendien werden vele monumentale (Metalen) constructies
gemaakt die de stad nog steeds sieren. Toen Den Haag buiten de Singelgrachten ging bouwen,
waren er nieuwe bruggen nodig. Enthoven maakte er enkele, zoals de draaibrug
(1885) over de Noord Westsingelgracht en de voetgangersbrug (1861) in de Rivierenbuurt.
Ook het metaalwerk van de overkapping van Station Hollands Spoor
is van Enthoven. Ouder nog was de overkapping van Station Rhijnspoor (Na 1890
"station Staats Spoor") uit 1870.
Daarnaast waren veel lantaarnpalen van deze beroemde
metaalpletterij in diverse steden te zien.
In andere steden, zoals Haarlem en Delden, zijn fraaie
sierhekwerken bewaard gebleven. De poort van de Iepenhof in Haarlem is bijvoorbeeld van
zeldzame schoonheid. In 1867 was een Gotische Preekstoel van Enthoven te zien tijdens de
wereldtentoonstelling te Parijs. Hoewel helemaal van Gietijzer doet het qua detailering
niet onder voor een middeleeuwse preekstoel. De preekstoel is thans in het bezit van het
Amsterdamse Rijksmuseum.
Het bijzondere van Enthoven was dat de directeur ook een
liefhebber was van kunst. Zo stonden er regelmatig (enorme) standbeelden bij het woonhuis
van Enthoven, naast de fabriek. Dat men de fabriek heeft afgebroken [1906] is wellicht
logisch, dat het huis aan het water ook verdwenen is, is erg jammer. Het stond in de weg
toen de Pletterijkade een (belangrijke) verkeersader werd.
Op het hoogtepunt (circa 1860) had Enthoven 800 man
personeel. Veel van hen hadden bij de Haagse Kanongieterij
gewerkt. Toen Enthoven omstreeks 1904 naar Delft verhuisde bleven veel arbeiders toch in
de Haagse arbeidersbuurten wonen. Ze wandelden dagelijks naar Delft (en terug).
Van de Voetgangersbrug over de Haagse Oost Singelgracht
maakte Enthoven een copy in Delft. Deze bestaat (ook) nog steeds.
In Sneek staat een prachtige mooie lantaarn voor het
station. De originele lamp is verloren gegaan, maar deze was (evenals de nog steeds
aanwezige sokkel) van de Haagse Firma Enthoven (1896). Bij Paleis Soestdijk ligt een brug
van Enthoven, maar veel verder weg, in Zuid Afrika is er nog een (nu nog door (auto)
verkeer gebruikte) brug van Enthoven in de hoofdstad Pretoria.
Ook in het voormalige Nederlandsch Indië zijn nog veel
(spoor) bruggen van Enthoven in gebruik. De Metaalpletterij Enthoven had eind 19e eeuw
zelfs twee fabrieken in Nederlandsch Indië (thans Indonesie)
Een andere Haagse Metaalpletterij was "Wed. A.
Sterkman en Zn", beter bekend als "De
Prins van Oranje". Een fabriek die eveneens verantwoordelijk is geweest voor enkele
fraaie bruggen in Den Haag, zoals de "Zwembad-brug"
over de Noord Singelgracht en de plaatbrug over de Hooigracht