Voor de Republiek en de grote stad
Amsterdam waren de eerste jaren van de 18e eeuw vooral een tijd van achteruitgang. De
'gouden eeuw' was definitief voorbij. Dat kwam door de gevoerde oorlogen en de
concurrentie van landen als Engeland en Frankrijk en in mindere mate ook door (dier)
ziektes,zoals de Veepest van 1713 en 1744, waarbij een groot deel van de veestapel stierf.
Tot overmaat van ramp overstroomden grote
delen van Utrecht, Holland en Gelderland in 1726. Den Haag bleef gespaard, maar de
verzwakte economie van het land zakte verder in elkaar.
Toeval of niet, er was net als tijdens het
"rampjaar 1672" sprake van een Oranje-loos tijdperk. Willem III was overleden en
had geen zoon. Daarmee was de directe lijn van Oranjes die afstamden van Willem van Oranje
uitgestorven. Willem III had zijn achterneef Johan Willem Friso aangewezen als 'opvolger',
maar de landsregering nam dit besluit niet over. Tot 1747 was er geen Oranje aan de macht.
Johan Willem Friso werd wel stadhouder van
Groningen en Friesland, maar kwam door verdrinking om het leven in 1711.
Het ging derhalve niet goed met de jonge
Republiek, maar in Den Haag was de situatie anders. Een groot deel van de inwoners was
rijk en bleef dat ook. Den Haag groeide voorbij haar Singels. Aan de zuidkant van de stad
was dat al in 1650 gebeurd. Langs het grachtje het Zieke stonden huizen en een
lepra-tehuis (omgeven door muren) en ook langs het Groenewegje stond voor 1700 al een rij
huizen.
Omstreeks 1705 bouwde men aan de oostkant
van de stad een Kanongieterij. Kanonnen waren tot die tijd in de voormalige Kloosterkerk gemaakt.
Er waren -al in de 17e eeuw- plannen
geweest om een gracht te graven (over de huidige Parklaan) van de
Noord Singelgracht naar het Lange Voorhout, maar omdat Den
Haag een stad is die gedeeltelijk op oude duinen ligt en het Lange Voorhout een stuk hoger
ligt dan de Noord Singelgracht, werd besloten dat het bouwen van een nieuwe Gieterijk
goedkoper was dan het graven van een nieuwe gracht. De nieuwe Kanongieterij werd gebouwd
bij de Oostelijke verdedigingssingel. Omdat daar geen ruimte meer was binnen de singels
kwam de Kanongieterij er buiten te staan. Ter verdediging werd de Prinsessegracht verlengd
en zo werd de oude Oost Singelgracht een binnengracht (Smidswater en Hooigracht).
Het nieuwe eiland werd "Nieuwe
Uitleg" genoemd. Naast de Kanongieterij bouwde men omstreeks 1705 statige huizen.
Deze mooie panden staan er vrijwel allemaal nog.
De Kanongieterij was een ontwerp van de
beroemde Pieter Post. Op onderstaande foto is de Gieterij
gedeeltelijk te zien. Het was een meesterwerk, dat zich qua vorm en architectuur kon meten
met de mooiste paleizen van de stad.
De nieuwe Kanongieterij stond op een
eiland. Het gebouw zelf grensde aan drie kanten aan het water : de Prinsessegracht, de
Gietkom en het Smidwater. Voorbij de huizenrij lag in het noorden van dat eiland een
grachtje dat we (ook) "Nieuwe Uitleg" noemen. De gieterij was alleen te bereiken
over (mooie) bruggen. Op de foto is op de achtergrond een driedubbele boogbrug te zien
(die in de jaren '30 van de 20e eeuw gesloopt is).
Ook elders verrezen steeds meer gebouwen
buiten de Singelgracht. Na 1715 kwamen er ook langs de Veenkade (thans
"Toussaintkade") steeds mer huizen te staan. Na 1720 was hier sprake van een
gesloten gevelrij.
In de (prachtige) Kanongieterij werd in
1878 de Hogere Krijgsschool gevestigd. Het gebouw heeft tot 1916 in de oorspronkelijke
vorm bestaan. Toen is een groot gedeelte van het gebouw gesloopt ten behoeve van een
uitbreiding van de school. In maart 1945 kwam de genadeklap, toen de geallieerden de oost
hoek van Den Haag bombardeerden, waarbij ook de Kanongieterij getroffen werd. Hoewel
herstel mogelijk geweest moet zijn, zijn de resten van de gieterij vervolgens afgebroken.
Bizar: De stad Middelburg is veel erger
beschadigd in de oorlog, maar is daarna vrijwel geheel herbouwd. In Den Haag heeft men dit
soort kunstwerken niet willen herstellen. Het woord 'schande' is hier eigenlijk wel op
zijn plaats.
Van dit pand rest nu alleen nog een
geveldeel en een toegangspoort (allebei onderdeel van het ministerie van Defensie aan de
Kalvermarkt).
Op de plaats van de oude gieterij staat nu
de Artillerie. Een eveneens bijzonder gebouw van architect H.
Kuiper.
In de stad zelf begonnen de trapgevels in
de 18e eeuw uit het straatbeeld te verdwijnen. Het werd "mode" om de gevels van
de huizen 'strak' te trekken. Trapgevels werden afgebroken en naar Frans voorbeeld kregen
de huizen veelal een strakke gevellijst (van hout). Zo verdwenen alle trapgevels langs het
Lange Voorhout, Het Tournooiveld
en het Korte Voorhout. Ook langs de Vijverbergen
en op de Plaats werden de huizen aangepast aan de stijl van die
tijd.
Alleen de gevel van een overheidsgebouw aan
het Lange Voorhout, het zogenaamde Pagehuis, bleef gespaard. De
overheid had er geen behoefte aan om mee te doen met de nieuwe stijl. Allereerst was het
Pagehuis een dienstwoning van de Kanongieter geweest, na het verhuizen van de Gieterij
werd het een opleidingsinstituut (voor Pages -bedienden van de Stadhouder(s)).
Het Page huis is daarom nu het enige Haagse
gebouw met een trapgevel in de noord-oost hoek van Den Haag.
In de meeste andere Hollandse steden was
geen geld meer om de huizen aan te passen, vandaar dat men daar ook nu nog veel trap- en
klokgevels kan zien.
Ook in de 18e eeuw kwamen nog protestantse
vluchtelingen uit Frankrijk en de Zuidelijke Nederlanden naar Holland. Daaronder ook
architecten zoals Daniël Marot, die in Den Haag enkele
beeldbepalende gebouwen ontwierp, zoals de uitbreiding van het
stadhuisje aan de Groenmarkt en het (latere) Paleis van
de Kroonprins aan de Kneuterdijk. Ook het prachtige Huis Schuylenburch (Lange Vijverberg)
en Huis Huguetan zijn van zijn hand.
Dankzij al deze bouwwerkzaamheden in Den
Haag moet de stad omstreeks 1750 op zijn mooist geweest zijn.
Langs de -100 jaar eerder gegraven-
Prinsegracht stonden nu voor een groot gedeelte (eindelijk) gebouwen en Tournooiveld,
Voorhout en Vijverberg hadden het voorname uiterlijk gekregen dat ze nu eigenlijk nog
steeds hebben.
Aan het Plein
stonden de indrukwekkende logementen van Rotterdam (1745) en
Amsterdam, waar de afgevaardigden van die steden verbleven als ze in Den Haag moesten
zijn. Den Haag had meer dan ooit de allure van een echte Europese Hoofdstad en hoewel de
invloed van de Republiek op de ontwikkelingen in de wereld sterk afnam gedurende de 18e
eeuw, was dat in Den Haag op het eerste gezicht niet zichtbaar.
Wie beter keek ontdekte echter ook in Den
Haag tekenen van verval. In het Spui-havengebied nam de bevolking al meer en meer toe. Het
water van de vele grachten aldaar werd steeds meer gebruikt als vuilstort en met het
verstrijken van de jaren nam de zomerse stank van het water toe.
Grachten die voorheen een zekere allure
hadden gekend, zoals de Statengracht (Ammunitiehaven) en de middelste gracht
(Schedeldoekshaven) begonnen te veranderen in sloppenwijken. In deze buurten groeide, net
als in de rest van de Republiek de onrust. Het volk begon te morren, maar de gevestigde
orde (stadsbestuurders en de rijken (koopmannen, renteniers en patriciërs)) hoorde dat
nog niet, of wilden het nog niet horen. Om van Hofkwartier naar Spuikwartier te komen was
een wandeling van nog geen 10 minuten voldoende, maar er gaapte zo'n enorm gat tussen die
twee werelden dat het maar de vraag is of rijke bewoners van het Hofkwartier ooit in de
sloppenwijken kwamen. De eerste bevolkingsopstanden vonden plaats in de grote steden
Amsterdam (nog geen hoofdstad) en Leiden en ook in het Spuikwartier begon het te gisten.
Militairen maakten echter keer op keer met veel geweld een eind aan deze oproer.
Niet alleen in de Republiek zelf is sprake
van opstanden, in Batavia (Nederlands Indië) komen Chinezen in opstand. De gehele Chinese
bevolking (8000 mensen) wordt door de Nederlandse troepen gedood.
In Amsterdam werden huizen van rijken
incidenteel belegerd en geplunderd door 'het volk', in Den Haag merkten de rijken er niet
veel van. Dat kwam voornamelijk doordat Voorhout en Vijverbergen vanuit het Spuigebied
eigenlijk alleen bereikt konden worden via het Buitenhof en dat was nog omgeven door
singels en hoge muren.
Een landwind moet de stank van de
Spuihavens echter regelmatig over deze muren en derhalve de gehele stad hebben verspreid.
Doof en blind blijven voor de ellende kon
dus nog wel, maar de geuren van ellende kon men niet (meer) negeren. Het zal daar aan
gelegen hebben dat het grachtenstelsel van Den Haag na 1705 niet meer werd uitgebreid.
Van demping kon echter nog geen sprake
zijn, de waterwegen waren nog te belangrijk voor het transport.
In 1747 is Willem IV uitgeroepen tot
Stadhouder en Kapitein-Admiraal van de strijdkrachten. De twee functies kregen een
erfelijk karakter. Den Haag werd wederom residentie van de Oranjes.
Met het herstel van de Oranje Dynastie kwam
er echter nog geen eind aan de onlusten. In 1748 zijn er bijvoorbeeld 200 Amsterdammers
door soldaten gedood na onrust op de Dam.