Na de oorlog tegen Spanje was het
Protestantisme de 'staatsgodsdienst'.
Katholieke ere diensten waren niet toegestaan.
Voor en tijdens de opstand hadden de
Protestanten het moeilijk gehad, nu moesten de Katholieken "ondergronds". Dat
was niet alleen in Den Haag zo, maar in vrijwel alle steden en dorpen van de Republiek.
In Den Haag hadden de Katholieken nog geluk
dat ze gebruik konden maken van de Kapel op het terrein van de Spaanse Ambassade.
De meeste Katholieken gingen naar zogenaamde
'Schuilkerken' op zolders en in achtertuinen. De gelovigen die altijd gebruik gemaakt
hadden van de Grote Kerk gingen naar een zogenaamde
'schuilkerk' in de oude Molstraat. De Oud-Katholieken vonden een
plaats op een zolder in de Molenstraat.
In 1720, toen de plakkaten tégen de
Katholieken nog van kracht waren (maar zelden werden toegepast), richtte het kerkbestuur
een verzoek tot de Haagse Magistraat, vergunning te verlenen tot de bouw van een grotere
kerk. Deze vergunning werd verleend op voorwaarde dat de kerk vanaf de straat niet
zichtbaar mocht zijn.
Mogelijk was Daniël
Marot de architect. Een Hugenoot waar Marot veel mee samenwerkte Jean Baptist Xavery verzorgde in ieder geval het meeste
beeldhouwwerk.
Het altaarstuk (1734) is van Mattheus
Terwesten. Daarnaast werkten de Vlaaming Claudius de Cock en Ary Kruysselbergen aan de
beelden van Jozef en Maria en de altaaromlijsting.
Meer over Marot (en Xavery) in het hoofdstuk over beroemde Bouwmeesters.
De kerk is van een ongekende schoonheid,
dat komt vooral door de zeer bijzondere sfeer en het enorme gevoel van ruimte.